Standpunt directeur
De directeur stelt dat sprake is geweest van een bijna helemaal vrijgestelde schenking van aandelen in het kader van een reële bedrijfsopvolging. Verder stelt hij dat het vereiste causale verband ontbreekt tussen het ‘voordeel’ en zijn dienstbetrekking, dat er geen bedoeling was om hem te bevoordelen wegens of te belonen voor zijn werkzaamheden en dat het ‘voordeel’ op basis van maatschappelijke opvattingen niet als beloning wordt ervaren. De schenking is volgens de directeur gedaan op grond van diverse andere motieven: zo heeft hij de aandelen verkregen omdat hij de meest geschikte bedrijfsopvolger was, heeft hij de aandelen gekregen onder de voorwaarde om deze ook weer (om niet) door te leveren aan zijn toekomstige opvolger(s) en zou anders de continuïteit van de onderneming in gevaar kunnen komen.
Standpunt Belastingdienst
Volgens de Belastingdienst is de schenking terecht als loon aangemerkt. Er is een causaal verband tussen het voordeel en de dienstbetrekking. De overheersende reden voor het verkrijgen van de aandelen ligt in de sfeer van de dienstbetrekking. De directeur had immers geen bijzondere, persoonlijke band met de schenker en kreeg de aandelen omdat hij in de uitoefening van zijn functie had bewezen een waardige opvolger te zijn van de schenker. Ook de door de directeur geschetste motieven voor de schenking wijzen er volgens de Belastingdienst op dat de aandelen zijn geschonken in het kader van de dienstbetrekking.
Uitgangspunten rechter
De rechter neemt de volgende uitgangspunten als richtsnoer bij zijn overwegingen.
Loon is al hetgeen uit een (vroegere) dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking.
Het gaat in dit geval volgens de rechter niet om de vraag of er sprake is van een verstrekking ‘in het kader van de dienstbetrekking’, zoals de Belastingdienst aanvoert, maar om de vraag of de (waarde van de) aandelen loon uit dienstbetrekking vormen. Volgens de Belastingdienst heeft de directeur de aandelen immers niet gekregen om zijn dienstbetrekking naar behoren te kunnen uitoefenen, maar als gevolg van de dienstbetrekking zelf (en de vervulling daarvan).
Tot het loon behoort verder niet alleen wat de eigenlijke (formele) werkgever verstrekt, maar het kan onder omstandigheden ook omvatten wat uit hoofde van de dienstbetrekking wordt ontvangen van derden. De rechter merkt op dat hij hierbij het oog heeft op voordelen die worden genoten van een ander dan de werkgever.
De bewijslast voor het bestaan en de omvang van een loonvoordeel rust op de Belastingdienst. Dat betekent dat de Belastingdienst aannemelijk moet maken dat de schenking een voordeel betreft dat loon (al dan niet van derden) uit dienstbetrekking vormt.
Overwegingen rechter
De rechter stelt voorop dat de aandelen voorafgaand aan de schenking behoorden tot het privévermogen van de schenker en niet tot het vermogen van de werkgever van de directeur (noch van een andere, tot het concern behorende vennootschap). Gesteld noch gebleken is dat de schenker op de een of andere manier door de werkgever van de directeur of anderszins is gecompenseerd voor de verarming die bij hem is opgetreden als gevolg van de levering van de aandelen aan de directeur.
De Belastingdienst heeft tegen deze achtergrond geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die de conclusie rechtvaardigen dat de aandelen toch loon van de werkgever vormen, waarmee de werknemer (de directeur) als zodanig is bevoordeeld. De Belastingdienst heeft weliswaar gewezen op het causale verband tussen het verkregen voordeel en de dienstbetrekking, maar een dergelijk verband alleen betekent nog niet dat de werkgever dit voordeel aan de werknemer als zodanig heeft verstrekt.
De rechter leidt uit de getuigenverklaringen van de schenker af dat hij de aandelen uit eigen beweging, als natuurlijke persoon en aandeelhouder, en onder naar eigen wens en inzicht opgemaakte voorwaarden, heeft overgedragen aan de directeur. Het motief om de aandelen te schenken kwam voort uit de diepgewortelde wens van de schenker dat de onderneming zijn karakter en zelfstandigheid zou behouden. Hierbij speelde de zorg voor de toekomst van de onderneming een grote rol: de schenker wilde niet dat het concern ten prooi zou vallen aan grotere spelers in de markt, die naar zijn stellige overtuiging de winstgevende activiteiten eruit zouden lichten om het restant vervolgens dood te laten bloeden. De schenker heeft in dit verband bij herhaling gewezen op de meer dan honderdjarige historie van dit van oorsprong familiebedrijf.
Daarom acht de rechter het waarschijnlijker dat de schenker – die zowel bestuurder was als enig aandeelhouder van de houdstervennootschap – bij zijn beslissing om de aandelen te schenken vooral zijn aandeelhouderspet op had en niet zozeer zijn bestuurders-/werkgeverspet. Daarbij past in de ogen van de rechter dat de directeur de aandelen niet ongeclausuleerd heeft verkregen, maar die aandelen – onder dreiging van een ontbindende voorwaarde die de schenker kan inroepen – te zijner tijd moet doorgeven aan zijn opvolgers. In feite heeft de directeur dus niet de aandelen vrij in handen gekregen, maar alleen de volledige zeggenschap plus het recht op de winsten (dividenden) zo lang hij bestuurder blijft. Ontegenzeggelijk zou de directeur dit voordeel nooit hebben genoten als hij geen werknemer van het concern was geweest. De schenker zag eiser immers als zijn opvolger, omdat hij in de ogen van de schenker in zijn functie als directeur had bewezen dat hij uit het juiste hout was gesneden om de onderneming in al zijn facetten te leiden en te behouden op de wijze zoals de schenker dat wenste. Echter: niet alle voordelen die zonder de dienstbetrekking niet zouden zijn verkregen, vormen ook loon ‘uit’ die dienstbetrekking.
Zoals gezegd kan er ook sprake zijn van loon als het voordeel door een ander dan de werkgever is verstrekt. Er is dan alleen sprake van belast loon, als het voordeel is verstrekt in opdracht van en voor rekening van de werkgever. De Belastingdienst heeft geen feiten gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, die erop wijzen dat de werkgever uiteindelijk de rekening heeft betaald, bijvoorbeeld door de schenker in privé te compenseren. De enkele wetenschap van de schenking bij de werkgever van de directeur doet aan het voorgaande niet af: die wetenschap maakt nog niet dat de werkgever ook de opdracht heeft gegeven en de rekening heeft betaald.
De rechter oordeelt ten slotte dat er ook geen sprake is van fooien en dergelijke prestaties van derden. Om daarvan te kunnen spreken, is namelijk vereist dat sprake is van prestaties die kunnen worden beschouwd als vergoeding, in ruime zin, voor hetgeen de werknemer als zodanig heeft verricht. De Belastingdienst heeft niet aannemelijk gemaakt dat hiervan sprake is geweest en dat de aandelen dus de vergoeding zijn voor werkzaamheden die de directeur heeft verricht.
Partijen zijn het erover eens dat de directeur door de schenking is bevoordeeld. Dat de directeur in dienstbetrekking is bij het concern en geen nauwe, persoonlijke relatie met de schenker heeft, maakt op zichzelf niet dat daardoor de schenking een vergoeding vormt voor bepaalde prestaties die de directeur heeft verricht. Hoewel de directeur sinds geruime tijd bij het concern werkzaam is, is opgeklommen tot directeur en ten tijde van de schenking in die functie bij het concern werkzaam was – en de rechter aannemelijk acht dat de schenker onder die omstandigheden tot de conclusie is gekomen dat de directeur de meest geschikte bedrijfsopvolger is – heeft de Belastingdienst daarmee niet aannemelijk gemaakt dat het overheersende motief voor de schenking de bedoeling is geweest om de directeur te bevoordelen voor diens prestaties.
Conclusie
De rechter leidt uit hetgeen partijen hebben aangevoerd, de notariële akte van levering en de feitelijke gang van zaken af dat de schenking in ieder geval voor een belangrijk deel is ingegeven met het oog op de continuïteit van de onderneming van het concern, vooral nu in de notariële akte een doorgeefverplichting is opgenomen. De getuigenverklaringen van de schenker vormen hier ook een bevestiging van.
Het beroep is gegrond. Daarom vermindert de rechter het inkomen waarop de aanslag inkomstenbelasting was gebaseerd met € 7.800.000 tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 233.836. Verder moet de Belastingdienst het griffierecht vergoeden en krijgt de directeur een vergoeding van zijn proceskosten.
Let op: Dat de belastingheffing vanwege de bedrijfsopvolgingsregelingen zeer laag zou zijn als hier sprake was van een schenking, stond wel vast. Maar het was spannend of de rechter het standpunt van de Belastingdienst, dat sprake was van loon uit dienstbetrekking, zou volgen.